Adres :
Cijnsstraat Ganshoren
Gps-coörd. :
50.8709 , 4.3121
Wetenschappelijke inventarisatie :

Identiteit

Categorie :
Arbre remarquable
Latijn :
Fagus sylvatica f. purpurea
Naam FR :
Hêtre pourpre
Naam NL :
Rode beuk
Naam EN :
Copper beech, Purple European Beech
Familie :
Fagaceae
Hoogte :
20 m
Beoogde hoogte :
Deze soort kan tot 45 m hoog worden
Diameter kruin :
20 m
Omtrek van de stam :
463 cm
Verwachte omtrek :
800 cm
Verwachte levensduur :
Kan tot 350 jaar oud worden
Oorsprong/Afkomst :
Centraal- en West-Europa
Voorkeursbodem :
Voedzaam, goed verlucht, goed gedraineerd
Voorkeursklimaat :
Vochtig, regelmatige regenval

Diensten geleverd door deze boom

Verfraait het landschap :
+++ zeldzame purperen bladeren
Verrijkt de biodiversiteit :
++ natuurlijke variant van de groene beuk
Levert zuurstof :
+++ grote en dichte kruin
Zuivert de lucht :
+++ idem
Filtert het water :
++ dicht bladerdek maar compacte bodem
Voorkomt overstromingen :
+ ondiepe wortels
Slaat koolstof op :
++ grote massa van de stam maar het hout is niet zo duurzaam
Verzacht het klimaat :
+++ schaduw in het park
Beperkt de erosie van de bodem :
ø
Doet goed, is nuttig :
+++ beukennoten, jonge bladeren, hout
Collectie van de Belgische Staat, permanente bruikleen aan de Plantentuin Meise : Duhamel, Traité des arbres et arbustes, vol. 2, pl. 24, 1804

Kenmerken/Karakter van het individu

In het kleine parkje aan de Cijnsstraat sta je plotseling oog in oog met een olifantenpoot: het is de korte, massieve stam met gladde grijze schors van een rode beuk. Als we omhoog kijken, ontdekken we een indrukwekkende vaalrode kruin. In de schaduw van het naburige appartementsgebouw, ver van de concurrentie om licht waar beuken mee te maken krijgen in het Zoniënwoud, heeft dit individu zich vrij kunnen ontwikkelen, eerder in de breedte dan in de hoogte.

Al meer dan 200 jaar de beuk erin

In het hart van de mensen

In de Cijnsstraat in Ganshoren herbergt een klein stukje plantsoen een immense rode beuk. Of misschien is het wel omgekeerd, als je ziet hoe zijn immense kruin met zijn dichte bladerdek een groot deel van de ruimte inpalmt. Die grote koepel wordt gedragen door een stam met een omtrek van meer dan 5 meter. Sommige van zijn takken bieden subtiel beschutting aan een bushalte van de MIVB. De reizigers die er staan te wachten lijken de boom niet op te merken.

De ouderen van de wijk weten deze beuk wel naar waarde te schatten. Zij herinneren zich dat hij in 1949 geklasseerd werd: “wat redelijk zeldzaam is voor een boom, zo opmerkelijk is hij. Die klassering toont aan dat de gemeente en de buurtbewoners er al erg aan gehecht waren. De laatsten houden vooral van zijn kleur. Het lijkt erop dat rode beuken zeldzamer en kwetsbaarder zijn dan groene beuken, die je vaak ziet aan de andere kant van de stad, in het Zoniënwoud bijvoorbeeld.”

Onze beuk heeft lang in een tuin gestaan. Alle aanplanting rondom hem is behouden bij de aanleg van het plantsoen. En er is een omheining gecreëerd met dezelfde omtrek als zijn kruin om hem een lichte en vruchtbare grond te geven, die aanleunt bij echte bosgrond: met lage begroeiing en een bladertapijt dat mettertijd verandert in een lichte humuslaag.

Flamboyant van aard …

De roodachtige kleur komt wel vaker voor bij loofbomen. Je ziet ze bij de jonge bladeren in de lente. Dat heeft te maken met gekleurde pigmenten die variëren van oranjerood tot paarsblauw: de anthocyanen. Ze dienen als schild tegen de ultraviolette stralen van de zon, een beetje zoals zonnemelk bij ons. Vervolgens vernietigt een enzym de rode pigmenten wanneer het blad hun bescherming niet langer nodig heeft.

Dat is niet het geval bij rode beuken, die dat enzym niet hebben. Die genetische afwijking komt zelden voor bij zaaigoed van beuken. Slechts 1 tot 3 zaden op 100 geven van nature rode bladeren. Aangezien de mens zich aangetrokken voelt tot zeldzame dingen, probeert hij dat kenmerk te reproduceren en een zo diep mogelijke tint te bekomen. Alle rode beuken stammen af van eenzelfde exemplaar, dat rond 1680 ontdekt werd in het bos van Hanleiter in Duitsland, en dat in 1910 nog steeds leefde. Men bekomt ze door een tak van een mooi donkerrood exemplaar te enten op een voet van een sterke groene beuk. Ze hebben dan ook allemaal een litteken op hun stam.

Als u bij de rode beuk van de Cijnsstraat naar entsporen zoekt, zult u die niet vinden. De paarsachtige rode tint van zijn bladeren zat vervat in de erfmassa van het zaadje waaruit hij is gegroeid. Hij maakt deel uit van die zeldzame wilde exemplaren die van nature paars zijn.

Heel wat gemeen met andere beuken

Dat neemt niet weg dat deze reus, afgezien van zijn flamboyante bladerdek, op alle vlakken lijkt op de klassieke beuk. (U zou zich al eens kunnen vergissen)

Hij heeft een zilvergrijze stam. Onderaan lijkt die op een olifantenpoot. Zijn schors vertoont barstjes: hij moet zich langzaam aanpassen aan de immense omtrek van de stam. Dat ‘reliëf’ is een teken van ouderdom: hij is al een stuk voorbij de 200. Toen hij jong was, was zijn ‘schil’ bijzonder glad en dun. Bij jonge beuken vervelt de schors namelijk snel. Aan hun grijsachtige ‘huid’ herken je de soort. Om te weten hoe hij eruit zag toen hij nog jong was, kijkt u gewoon even omhoog naar de takken.

Dan zou een detail misschien wel in het oog kunnen springen. Op de takken zitten lange, puntige knoppen met tal van kastanjebruine/oranjebruine schubben. Er wordt gezegd dat de kabouters ze slijpen en gebruiken om slakken te doden. In de lente veranderen die knoppen in ovale bladeren met een gladde rand. Als ze nog heel jong en mals zijn, kunnen ze lekker zijn in salades. Ze smaken lichtjes zurig.

Vervolgens produceert de boom beukennootjes, zoals dat ook bij de groene beuk het geval is. Het zijn napjes voorzien van stugge haartjes. Als ze opengaan, vallen de bruine nootjes die erin zitten op de grond. Je kunt ze pellen en opeten, een beetje zoals pijnboompitten. Vroeger werden die zaadjes ook door de mens gegeten. Men liet ze weken in water om hun taninegehalte te verlagen en om ze beter verteerbaar te maken. Geroosterd smaakten ze overheerlijk. En door ze te persen bekwam men olie. Tegenwoordig krijgen die smaken opnieuw aandacht in de keuken waarin wilde planten centraal staan.

Een watertoren met een kwetsbare voet

Als u hier langskomt na een regenbui zult u over de hele stam lange donkere en vochtige striemen zien. Het bladerdek van de beuk verzamelt water. Zijn bladeren, zijn hoofd- en zijn zijtakken zijn zo gericht dat ze zoveel mogelijk regendruppels kunnen opvangen, die ze naar de wortels van de boom leiden. In zijn boek Het verborgen leven van bomen* legt Peter Wohlleben uit op welke geniale manier bomen dat doen: “Hun kruin dient eigenlijk zowel om de bladeren bloot te stellen aan het zonlicht als om de regen op te vangen en af te voeren. Het water valt op de honderdduizenden bladeren en druppelt langs de vele takjes. Van die takjes en twijgjes loopt het langs de grotere takken, waar de minuscule stroompjes samenkomen en een heuse stortvloed vormen die van de stam naar beneden stroomt. Onder aan de stam is de stroming zo sterk dat het water bruisend opspringt als het de grond raakt. Tijdens een fikse onweersbui kan een volwassen boom tot 1000 liter extra water opslaan. Die watervoorraad wordt dankzij zijn bouw rechtstreeks naar zijn wortels afgevoerd en sijpelt in de aarde waar hij zal dienen om een of meerdere droge periodes te overbruggen.”

Laat uw blik langs de waterlijnen glijden tot aan de voet van deze ‘watertoren’. Vooral onderaan ziet hij er bijzonder stevig uit: ietwat gebogen steunpilaren zorgen voor de verbinding tussen de stam en de wortels. Die zones waar hij sterk is gegroeid worden plankwortels genoemd: ze doen denken aan de torens van kastelen uit de middeleeuwen. Ze staan in voor de stabiliteit van de boom en ze zijn nuttig om in te schatten in welke richtingen de wortels de aarde verkennen op slechts een paar centimeter onder onze voeten. Aangezien de bodem geërodeerd is doordat het plantsoen druk bezocht wordt, zie je hier en daar wel eens wortels die uit de grond tevoorschijn komen. Deze beuk heeft kruipende wortels: hij beperkt zich tot een erg ondiepe laag maar hij vormt echt een dichte structuur met dezelfde omtrek als de kruin van de boom, een beetje zoals de voet van een wijnglas die voor de stabiliteit van het geheel zorgt.

Spijtig genoeg komt die stabiliteit wat in gevaar, want een schimmel heeft het gemunt op het wortelsysteem van de boom. Hij heeft gebruik gemaakt van de kwetsuren van de blootliggende wortels, en van de scheuren in de verouderde schors om zich in de voet van de boom te nestelen. In de herfst nemen de vruchtlichamen van deze ‘bewoner’ indrukwekkende afmetingen aan. Hij wordt niet voor niets reuzenzwam genoemd. Stukje bij beetje slokt hij de voet van de reus op. Het Gewest en de gemeente volgen het van nabij op om er zeker van te zijn dat de boom de schimmel wel de baas kan en dat hij geen gevaar vormt voor de veiligheid. Het draait erom de flamboyante aanwezigheid van dit exemplaar in het hart van deze wijk zo lang mogelijk te laten duren.

Meer info

(1) Peter Wohlleben, The Hidden Life of Trees, p116, Greystone Books.

Dit portret is verrijkt met een illustratie uit de Belgische Federale Staatscollectie in permanente bruikleen aan de Meise Botanical Garden. Zie bijlage. Met dank aan de bibliotheek (erfgoedcollectie) voor deze bijdrage.https://www.plantentuinmeise.be/nl/home/

Foto: Priscille Cazin - Zerolutions / 32shoot asbl
idem
idem
idem
idem
idem
idem
Fotos: Gwen Videoprojects / 32shoot vzw
idem
idem
idem
idem
© Foto : Bruno Campanella – Natuurlijk erfgoed, Brussels Hoofdstedelijk Gewest
© Bruciel 1953
© Bruciel 1971
© Bruciel 1996
© Bruciel 2015