Adres :
Jacques Brelpark Vorst
Gps-coörd. :
4.322758 , 50.803297
Wetenschappelijke inventarisatie :

Identiteit

Latijn :
Quercus robur
Namm FR :
Chêne pédonculé
Naam NL :
Zomereik
Naam EN :
English/Pedunculate oak
Familie :
Fagaceae
Hoogte :
40 m
Beoogde hoogte :
Deze soort kan 30-35 m hoog worden
Diameter kruin :
30 m
Omtrek van de stam :
641 cm
Verwachte omtrek :
Verwachte levensduur :
Kan tussen 1000 en 2000 jaar oud worden
Oorsprong/Afkomst :
Van midden-Spanje tot het zuiden Van Scandinavië en Van Ierland tot Rusland
Voorkeursbodem :
Luchtig, los, fris, vruchtbaar, diep, goed gedraineerd
Voorkeursklimaat :
Gematigd, fris, kan niet goed tegen vorst

Diensten geleverd door deze boom

Verfraait het landschap :
+++ visuele effect van de kruin en de stam
Verrijkt de biodiversiteit :
+++ oude boom die onderdak biedt aan planten, korstmossen, schimmels, insecten en vogelnesten
Levert zuurstof :
++ groot bladerdek
Zuivert de lucht :
++ idem
Filtert het water :
+ in het hoger gelegen gedeelte van het park
Voorkomt overstromingen :
+ in het hoger gelegen gedeelte van het park
Slaat koolstof op :
+++ trage groei en duurzaam hout
Verzacht het klimaat :
+ effect van het stukje bos
Beperkt de erosie van de bodem :
+ pivoterende wortelstructuur
Doet goed, is nuttig :
+++ tannines, eikels, hout

Kenmerken/Karakter van het individu

Dit levende wezen is de grootste eik en de oudste boom van Brussel. Vroeger stond hij in een bos, daarna in het park van een verdwenen kasteel en tot slot belandde hij langs de spoorweg: deze veteraan heeft al heel wat beproevingen doorstaan. Het is een springlevende bonk die een verblijf- en schuilplaats biedt aan een indrukwekkend aantal levende wezens. Rond de voet van deze boom moet een beschermde zone worden aangelegd om de verdichting van de bodem te verminderen en de wortels te laten ademen.

# De nestor van het Gewest

De Joséphine-eik staat achterin een bewaard stukje groen dat wat miskend is bij de Brusselaars: het Jacques Brelpark. Aan de ene kant domineert hij een open plek. Aan de andere kant beschermt hij een bos, waar jonge hulst, notelaars, vlierbomen, beuken en esdoorns opschieten. Met zijn 38 meter hoogte, zijn stam met een omtrek van meer dan 6 meter en een kruin van 30 meter doorsnede is dit de dikste en oudste eik van het Gewest.

Een bosbewoner in de stad

Bijna 4 eeuwen geleden bevond deze boom zich in een oerbos. Hij groeide in het oude bos van Keersbeek dat aan het Zoniënwoud grensde. Deze veteraan heeft al heel wat beproevingen doorstaan. In de loop der jaren heeft hij het bos rond zich zien slinken. Aan het eind van de 19e eeuw verloor hij heel wat van zijn kompanen en soortgenoten. Ze werden gekapt om plaats te maken voor de spoorweg op 50 meter bij hem vandaan. Aan het begin van de 20e eeuw werd hij de troetelboom van een privédomein. Hij kwam terecht aan de rand van het gazon tegenover het kasteel van Adrien Tayart de Borms. Hij draagt de voornaam van de echtgenote van de kasteelheer. Deze monumentale eik is altijd goed omringd geweest door de bewoners van de buurt. In de jaren 60 hebben ze zich volop ingezet voor zijn behoud. Vandaag staat hij onder de bescherming van de gemeente Vorst. Die probeert hem opnieuw een bosachtige omgeving te geven, zodat aan zijn voet weer een bodem kan ontstaan die rijk is aan humus en vol leven is, met veel paddenstoelen en insecten.

Een andere kijk op ouderdom

Deze grote loofboom is een Quercus Robur, een soort heilige boom. De individuen van deze soort kunnen tussen 1000 en 2000 jaar oud worden. Hun stevigheid, hun lange levensduur en hun vermogen om zichzelf te vernieuwen hebben respect afgedwongen bij heel wat oude culturen.

De Joséphine-eik, die al vele honderden jaren oud is, is hol en verwrongen en verliest af en toe een dikke tak. Dat wijst niet op een ziekte of aftakeling. Eiken kunnen zich ontdoen van hun droge hout om nieuwe takken te vormen. Ze hebben de ongelooflijke gave om een nieuwe kruin te ontwikkelen. In volle zomer kunnen ze zo hun volledige bladerdek vernieuwen, mochten hun bladeren worden aangetast door een parasiet. Net als alle andere bomen kunnen eiken in feite onsterfelijk zijn. Bioloog en botanist Francis Hallé*, een groot specialist in bomen en tropische bossen, schrijft daarover het volgende: “Geef een boom zijn hele leven lang de allerbeste leefomstandigheden en bescherm hem nauwgezet tegen alle tegenslagen die hem kunnen overkomen, en u zult merken dat hij niet sterft.”

De Joséphine-eik heeft dus mooie jaren in het verschiet. Deze ‘jonge knaap’ groeit nog stevig. Hij krioelt van het leven. Hij dient als verblijf- en schuilplaats voor een immense hoeveelheid levende wezens. In de groeven van zijn schors wonen duizenden insecten. Op zijn takken landen honderden vogels: allerlei soorten spechten, een bosuil, boomklevers en Vlaamse gaaien, en daarnaast ook vleermuizen. En dan hebben we het nog niet gehad over de schimmels en de paddenstoelen. Enkel een boom met zijn maturiteit kan onderdak bieden aan zoveel leven. Dat is het voorrecht van de leeftijd.

Eendracht maakt macht

De Joséphine-eik staat rechtstreeks in verbinding met een andere nestor van de hoofdstad. Die draagt de bijnaam ‘Dubbele Eik’. Hun kruinen raken elkaar heel lichtjes, zonder elkaar te hinderen. Ze ‘praten’ met elkaar en wisselen boodschappen uit via vluchtige moleculen die ze afscheiden in de lucht of via hun wortels. Ze communiceren via de zwamvlokken die hun wortels onder de grond verbinden. Samen kunnen deze 2 bomen zich beter verdedigen. Ze doorstaan beter de tand des tijds.

Details die geen twijfel laten bestaan

De Joséphine-eik en zijn compagnon de Dubbele Eik zijn allebei heel anders gebouwd en ze hebben elk hun eigen karakter. Toch hebben deze 2 reuzen ook gemeenschappelijke kenmerken die eigen zijn aan hun soort. In de lente tooien ze zich allebei met jonge bruinrode bladeren, waardoor ze zich onderscheiden van alle andere individuen van het park en het bos. Hun schors is ontegensprekelijk die van een eik: grijsbruin, met diepe verticale groeven, die soms doorkruist worden door horizontale groefjes. Hun bladeren zitten hoog. Ze zijn gegroepeerd in kleine bosjes aan het uiteinde van de takken. We kunnen ze observeren aan de voet van de twee bomen. Ze zijn eenvoudig, hebben een gladde rand, en een gelobde vorm. Onderaan lijkt het alsof ze kleine oorlelletjes hebben. In de herfst is de grond bezaaid met eikels. Die zijn uitgerust met 'pédoncules', lange steeltjes (kleine takjes). Vandaar de Franse wetenschappelijke naam van deze soort: 'chêne 'pédonculé'. De Dubbele Eik zit verscholen in het bos en is dan ook minder opvallend dan de Joséphine-eik. Maar met deze aanwijzingen in het achterhoofd kun je hem makkelijk terugvinden.

*Literatuurlijst Auteur: Francis Hallé, Titel: “La vie des arbres” Uitgave: Les Petites conférences, Bayard, p. 20 en 21